|
JACHTHONDENPROEF
De KNJV proef te “Kampen” staat op de agenda voor 29 september 2012.
Klik hier voor het Filmpje jachthondenproef 2010
Al jaren wordt deze proef door de club georganiseerd ter afsluiting van het seizoen op het terrein
van
camping “Roggebotsluis”. De proeven in de dekking, in en rond het water met als afsluiting het
dirigeren en de sleep op de weilanden zijn voor de deelnemende combinaties een prachtige wed-
strijd
en voor de toeschouwers een mooi schouwspel.
Algemeen:
De jachthondenproef te Kampen wordt georganiseerd volgens de reglementen van ORWEJA.
De proeven worden hieronder beschreven. Ingeval van strijd tussen deze teksten en “het reglement
Jachthondenproeven” (het rode boekje) van ORWEJA, geldt het rode boekje.
Per deelnemende hond wordt een wilde eend beschikbaar gesteld, die, voorzover aan de orde,
tijdens
alle proeven door de hond wordt gebruikt. De voorjager dient de eend tussen de proeven
bij zich te
houden. Ander wild (duif/konijn) wordt zonodig tijdens een proef beschikbaar gesteld en
kan voor
meerdere honden worden gebruikt.
Tenzij hierna anders aangegeven wordt de hond zonder band of lijn voorgejaagd en mag de
voor-
jager
de hem door de keurmeester aangewezen plaats gedurende de gehele proef niet
verlaten.
Tenzij anders aangegeven moet de hond bij de apporteerproeven het wild binnen handbereik
van de
voorjager brengen.
Tenzij hierna anders aangegeven worden de proeven die onderdeel uitmaken van het B en het A
diploma bij voorkeur zodanig uitgezet dat de wind uit een richting komt die haaks staat op de
richting waarin de hond moet worden uitgestuurd.
Tenzij hierna anders aangegeven trekken de in het veld opererende officials zich tijdens de proeven
die onderdeel uitmaken van het B en het A diploma op een zodanige plaats terug, dat hun
aan-
wezigheid
en hun loopspoor zo weinig mogelijk stimulerend of belemmerend op de hond werken.
C-diploma
Aangelijnd en los volgen Proef A:
De proef wordt tweemaal afgelegd, eerst aangelijnd
en vervolgens los. De hond moet de voorjager op een
zandlopervormig parcours van ongeveer 40 meter
volgen.
Door de vorm van het parcours zal de voorjager steeds
twee bochten met zijn hond aan de binnen
kant
en
twee bochten met zijn hond aan de buitenkant maken.
Tijdens het los volgen laat de voorjager
halsband
c.q. lijn op een door de keurmeester aangewezen plaats
achter.
Uitsturen en komen op bevel Proef B:
De hond moet vrij worden uitgezonden en moet op
een afstand van ongeveer 30 meter voldoende
vrij
in beweging zijn (dus niet gedirigeerd worden).
Zodra de keurmeester dat aangeeft moet de
hond op
bevel naar voorjager komen. Bij het terug-
roepen van de hond worden een attentiesignaal
(naam
hond)
en uitvoeringssignaal (fluitsignaal) als
één bevel beschouwd.

Houden van de aangewezen plaats Proef C:
De hond moet zonder dat enig voorwerp bij de
hond
is achtergelaten, de hem aangewezen
plaats
houden tot zijn voorjager hem weer
ophaalt.
De voorjager moet twee volle minuten buiten
het
gezichtsveld van de hond te verblijven.
De keurmeester zal er op toezien dat de hond
niet
door verwaaiing of inrichting van de proef
kan weten dat de voorjager in zijn directe
omgeving is.
Apport te land Proef D:
De hond moet een, in overzichtelijk terrein
weggeworpen wild konijn apporteren .
De werper werpt het konijn ver van zich
weg zodat het konijn op ongeveer 25 meter
van de hond
terechtkomt en de hond vanaf
de
positie bij de voorjager het konijn kan zien
liggen.
De keurmeester geeft, na één seconde nadat
het konijn gevallen is, aan dat de hond mag
worden uitgestuurd.
Apport uit diep water Proef E:
De hond moet een in overzichtelijk, diep water
geworpen eend apporteren. De eend wordt op
een
zodanige plaats in het water geworpen,
dat de hond, vanaf de positie bij de voorjager,
de eend
kan
zien liggen en om de eend te
bereiken, moet zwemmen.
B-diploma
Verloren apport te land Proef F: 
De hond moet een in dichte dekking geworpen
eend apporteren. De werper werpt vanaf een
plaats
waar de hond hem niet kan zien, de eend
zo dat deze op ongeveer 40 meter van de
plaats waar de
hond wordt ingezet, terecht komt
en de voorjager en de hond elkaar niet kunnen
zien als de hond in
de omgeving van het wild werkt.
Zo mogelijk wordt de proef zo ingericht dat voor-
jager
en hond elkaar niet
meer kunnen zien nadat
de
hond zich meer dan vijf meter van de voorjager
heeft verwijderd in de
richting van de eend. Bij
sommige terreinomstandigheden kan het nodig zijn
een scherm te plaatsen.
De keurmeester zal een zodanige plaats innemen
dat hij het
zoeken van de hond kan beoordelen.
De keurmeester kan de voorjager opdragen in de loop
van de proef
een andere plaats aan te houden dan
de inzetplaats.
Markeerapport te land Proef G:
De hond mag los of aangelijnd worden voorgejaagd, maar moet zonder halsband of lijn een voor hem
zichtbaar weggeworpen eend apporteren. Nadat de voorjager de keurmeester heeft laten weten
dat
hij gereed is om de proef af te leggen, geeft de keurmeester geweer en werper een teken dat
zij
kunnen starten. Zij staan benedenwinds van de valplaats van de eend, zodat de eend dus tegen
de
wind in wordt geworpen.
Direct nadat er geschoten is werpt de werper de eend met een grote boog van zich weg zodat de
eend op ongeveer 60 meter van de hond terechtkomt en de hond de eend niet kan zien liggen,
voordat hij in de onmiddellijke omgeving van de eend is aangekomen. De valplaats mag niet zo
opvallen, dat de hond er door wordt aangetrokken. Werper en geweer blijven gedurende de gehele
proef op hun plaats staan.
De keurmeester geeft ongeveer drie seconden nadat de eend gevallen is, door de voorjager op zijn
schouder te tikken, aan dat de hond mag worden uitgestuurd.
De voorjager mag vanaf het moment dat de hond is uitgezonden tot aan het moment dat de hond
de
eend heeft opgenomen, geen aanwijzingen of commando's geven.
 
Apport over diep water Proef H: 
De hond moet een aan de overzijde van een breed,
diep water weggeworpen eend apporteren.
Het water moet minimaal tien meter en maximaal
veertig meter breed zijn en zo diep dat de hond,
om
de overkant te bereiken, moet zwemmen.
De werper werpt op een moment dat de hond hem
niet kan zien, de eend van zich weg zodat de
eend,
afhankelijk van de breedte van het water en
de geaardheid van het terrein minimaal tien
meter
en
maximaal veertig meter vanaf de kant van
het water terecht komt en de hond, de eend
niet kan
zien
liggen voordat hij in de onmiddellijke
omgeving van de eend is gekomen.
De keurmeester zal de voorjager afhankelijk van
de plaatselijke omstandigheden een plaats op
ongeveer drie meter uit de waterkant wijzen
vanwaar hij de hond moet inzetten en waar naar
toe
de
hond de eend moet brengen.
A-diploma
Dirigeerproef te land. Proef I:
De hond moet een houtduif apporteren, nadat hij door zijn voorjager via een stoppunt naar de
valplaats is gedirigeerd. De proef wordt uitgezet in overzichtelijk terrein. Dat wil zeggen, dat een
hond die niet aanzienlijk van de ideale route afwijkt, voor de voorjager voortdurend zichtbaar is.
De werper werpt, op een moment dat de hond hem niet kan zien, de duif zo dat de hond de duif niet
van grote afstand kan zien liggen, De valplaats wordt (evenals het stoppunt) zo natuurlijk mogelijk
gemarkeerd en mag niet zo opvallen, dat de hond er door wordt aangetrokken. De valplaats ligt bij
voorkeur benedenwinds van het stoppunt.
Het stoppunt ligt ongeveer honderd meter van de positie van de voorjager en ongeveer vijftig meter
van de valplaats en wordt zodanig gekozen, dat een aanzienlijke richtingscorrectie nodig is om de
valplaats te bereiken.
De voorjager moet de hond stoppen in de naaste omgeving van het stoppunt en moet, nadat de
keurmeesters hem daarvoor toestemming geven, de hond van daaruit naar de valplaats dirigeren.
De keurmeesters zullen deze toestemming pas geven nadat de hond naar hun oordeel voldoende
dicht bij het stoppunt door de voorjager is gestopt.
De voorjager mag de hem aangewezen plaats gedurende de gehele proef niet meer dan vijf meter verlaten
en daarbij een aangegeven lijn niet naar voren overschrijden .
 
Apport van verre loper over breed water. Proef J:
De hond moet met gebruikmaking van een sleepspoor
een aan de overzijde van een breed, diep
water
ver weggesleepte eend apporteren.
Het water moet tenminste vijftien meter breed zijn en
zo diep dat de hond, om de overkant te
bereiken,
moet zwemmen. Vanaf de overkant van het
water wordt zonder dat de hond dat kan
zien, een
sleepspoor getrokken dat, afhankelijk van de
moeilijkheidsgraad van het water en de
geaardheid van
het terrein, minimaal honderdvijftig
meter en maximaal driehonderd meter lang is.
In het spoor moeten
minimaal twee haken van ongeveer
negentig graden zitten. Aan het einde
van het sleepspoor wordt
een eend neergelegd. Bij
voorkeur wordt de proef zo uitgezet dat de
wind uit een richting komt,
variërend tussen recht van
achter en loodrecht op die, waarin de hond
over het water moet worden
gestuurd. Het begin van het sleepspoor wordt zo natuurlijk mogelijk
gemarkeerd en aan de voorjager
bekend gemaakt. De voorjager mag de hond naar het begin van
het sleepspoor dirigeren. Als de hond
het sleepspoor heeft aangenomen is het de voorjager
verboden verdere commando's te geven. Bij
voorkeur zijn aan de overkant van het water de
terreinomstandigheden zodanig dat de hond die het
sleepspoor heeft aangenomen snel aan het
zicht van de voorjager wordt onttrokken.
|